Nee!
De film bevat naast feiten ook fictieve elementen. Bij de titelrol wordt het publiek via een disclaimer erop geattendeerd dat het gaat om een filmische interpretatie van de Heineken ontvoering en beoogt geen waarheidsgetrouwe weergave te zijn. Dit betekent dat feiten en fictie in de film zijn vermengd. De karakters in de film zijn in belangrijke mate gebaseerd op fictie.
Holleeder is wegens betrokkenheid bij de ontvoering (die dus vast staat), samen met vier andere personen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar.
In de film komt een personage genaamd 'Rem' voor, gespeeld door een acteur. 'Rem' wordt getypeerd als een meedogenloze jonge crimineel die de bewaking van Heineken en zijn chauffeur voor zijn rekening nam, Heineken vernederde en angst aanjoeg. 'Rem' wordt voorts op de website ter promotie van de film afgebeeld.
Holleeder is van mening dat 'Rem' qua fysieke kenmerken en het levensbeeld dat in de film wordt geschetst, een zodanige gelijkenis met hem vertoond, dat er sprake zou zijn van gebruik van zijn portret. Hij is van mening dat hij redelijke belangen (artikel 21 Auteurswet) heeft om zich tegen dit gebruik te verzetten, namelijk:
- het tegengaan van het gebruik van zijn portret als ondersteuning van een commerciële reclame-uiting;
- de bescherming van het recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer (artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM).
Holleeder vorderde in dit kader een verbod op de openbaarmaking van de passages in de film waarin het personage 'Rem' voorkomt, alsmede afbeeldingen van 'Rem' van de website te verwijderen, en zich te onthouden van openbaarmaking van afbeeldingen van 'Rem' voor promotionele doeleinden voor de film, op straffe van een dwangsom. Voorts werd een incidentele vordering tot inzage in de film ten behoeve van het kort geding gevorderd.
IDTV voert verweer en beroept zich op de vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM). Op grond hiervan zou IDTV een film mogen maken over een historische gebeurtenis waarbij bekende feiten worden vermengd met fictieve elementen. Zo krijgt men een dramatisch interessanter verhaal en daarmee mooiere film. De betrokkenheid van Holleeder bij de ontvoering staat vast. Dat het publiek hem met 'Rem' zal associëren, wordt niet betwist. 'Rem' zou voorts geen 'portret' (in juridische zin) van Holleeder zijn.
IDTV stelt verder dat het fictieve karakter van 'Rem' al vast staat, nu het publiek uit andere bronnen al bekend was met de ontvoering en er met een disclaimer wordt gewerkt. Ook heeft IDTV gesteld dat Holleeder als thans de meest beruchte Nederlandse misdadiger moet worden gezien als een publiek figuur en in die zin meer zal moeten dulden dan de gemiddelde Nederlander. Gelet op deze punten en de ernst van de misdrijven zou het belang van vrijheid van meningsuiting niet hoeven te wijken voor de inbreuk die de film op de belangen van Holleeder maakt. IDTV schetst deze als gering van aard.
De voorzieningenrechter volgt Holleeder niet in zijn verweer en overweegt het volgende.
Holleeder was betrokken bij de ontvoering en de ontvoering heeft destijds de samenleving ernstig geschokt. Volgens de voorzieningenrechter heeft dit als effect dat in iedere verfilming van de ontvoering wel een bepaald verband wordt gelegd met de persoon van Holleeder.
Het maken van een film over de ontvoering is een door artikel 10 EVRM beschermd belang. Het staat de maker volgens de voorzieningenrechter in beginsel vrij om aan zijn weergave van die gebeurtenis nieuwe, fictieve, elementen toe te voegen. Ook staat het de maker volgens de voorzieningenrechter vrij om gebruik te maken van acteurs die een zekere overeenstemming vertonen met daadwerkelijk bij de verfilmde gebeurtenis betrokken personen. Een en ander valt onder de vrijheid van artistieke expressie. Deze vrijheid wordt echter begrensd door het belang dat een bij de verfilmde historische gebeurtenis betrokken persoon er bij kan hebben, om niet met die fictieve elementen in verband te worden gebracht.
De voorzieningenrechter vindt het voorshands niet aannemelijk dat de grens in het onderhavige geval is overschreden. Weliswaar vertoont 'Rem' wat betreft zijn fysieke kenmerken en het in de film vertoonde levensbeeld een grote mate van overeenstemming met de persoon van Holleeder, maar niet is gebleken dat in de film, dan wel anderszins door IDTV, wordt gesteld dat de gedragingen van 'Rem' een weergave vormen van door Holleeder daadwerkelijk gepleegde feiten. De eerder genoemde disclaimer van IDTV attendeert het publiek er juist op dat in de film feit en fictie zijn vermengd. Hoewel niet onaannemelijk is dat een deel van het publiek de gedragingen van 'Rem' toeschrijft aan Holleeder, maakt dat de handelswijze van IDTV nog niet onrechtmatig. De essentie is dat IDTV in haar uitingen voldoende duidelijk maakt dat de film niet een feitelijke weergave van de werkelijkheid beoogt te zijn, zoals zij tot nu toe heeft gedaan. Dit maakt dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor andersluidende conclusies van derden.
Ook acht de voorzieningenrechter voorshands niet aannemelijk dat, ingeval in een eventueel door Holleeder na de publieke openbaarmaking van de film aanhangig te maken procedure (onderdelen van), de film wel onrechtmatig zal worden geoordeeld, de voor hem nadelige gevolgen van die openbaarmaking, niet meer door middel van een alsdan uit te spreken veroordeling kunnen worden hersteld. Het wordt niet aannemelijk geacht dat de belangen die Holleeder in dit verband heeft genoemd, namelijk schending van het portretrecht, schending van zijn recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, het niet lichtbaardig beschuldigd willen worden van strafbare feiten en het resocialisatiebelang, niet door middel van schadevergoeding en/of rectificatie kunnen worden hersteld.
De voorzieningenrechter ziet op grond van het voorgaande onvoldoende reden om IDTV reeds voorafgaand aan de publieke vertoning van de film te verbieden de scenes waarin 'Rem' voorkomt openbaar te maken en al evenmin om IDTV ambtshalve te verplichten tot het verlenen van inzage in de film. De incidentele vordering tot voorinzage van de film wordt eveneens afgewezen op de reeds genoemde gronden.
De voorzieningenrechter overweegt voorts nog dat het feit dat Holleeder gedetineerd is en daardoor belemmerd in zijn mogelijkheid tot het geven van een weerwoord, niet ten koste mag gaan aan het aan IDTV toekomende recht van vrijheid van meningsuiting. Interessant is de overweging van de voorzieningenrechter dat het publiek reeds uit andere publicaties heeft kunnen vernemen over de gebeurtenissen rond de ontvoering, waaronder een boek waaraan Holleeder zijn goedkeuring had verleend. Zij versie zou derhalve bij het (geïnteresseerde) publiek bekend zijn.
Holleeder heeft nog een beroep gedaan op artikel 6:194 BW. IDTV zou door gebruikmaking van zijn portret, een misleidende mededeling (als bedoeld in artikel 6:194 BW) omtrent de film hebben gedaan. Ook deze stelling treft geen doel. De voorzieningenrechter overweegt dat er weliswaar sprake is van een behoorlijke mate van overeenstemming tussen de afbeelding op de website en de in het geding gebrachte foto (genomen omstreeks 1983) van Holleeder, maar bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een afbeelding van een persoon dient mede acht geslagen te worden op de context van de publicatie. Het is niet ongebruikelijk dat bij de verfilming van historische gebeurtenissen de acteurs worden gemodelleerd naar de persoon wiens rol zij moeten uitbeelden. Het publiek mag hiermee bekend worden verondersteld en zal een bij een filmaankondiging geplaatste afbeelding van een acteur gewoonlijk dan ook niet aanzien voor een afbeelding van zijn in de werkelijkheid voorkomende pendant (hetgeen bij een verfilming van een verder in het verleden liggende gebeurtenissen temeer onwaarschijnlijk is). Van enige misleiding vindt de voorzieningenrechter voorshands dan ook geen sprake. Voor zover de vorderingen van Holleeder ook zijn gericht op het verkrijgen van een verbod van vertoning van de passages, stranden deze ook op de zojuist weergegeven overweging.
T: 076 523 60 00 - F:+31(0)76 5236009 - E: info@questie-advocatuur.nl - Catharinastraat 21, 4811 XD Breda - postbus 1050, 4801 BB Breda


